Stuur nu je uniek oefening op en maak kans op een jaar gratis pro abonnement!           Oefening insturen

Lesgeefstijlen van Mosston & Ashworth

Inleiding

Goed lesgeven op ski’s of een snowboard betekent meer dan alleen techniek uitleggen. Een goede leraar weet wanneer hij duidelijke instructies moet geven en wanneer hij cursisten juist zelf laat ontdekken en ervaren. Het Spectrum of Teaching Styles van Mosston & Ashworth biedt hiervoor een bruikbaar kader. Dit model beschrijft verschillende lesgeefstijlen die variëren van volledig leraar-gestuurd tot volledig cursist-gestuurd. Door bewust te kiezen voor een bepaalde lesgeefstijl kan een ski- of snowboardleraar het leerproces beter afstemmen op het niveau, de motivatie en de leerdoelen van de cursisten. In dit artikel worden de verschillende stijlen en de bijbehorende besluitvormingsfasen uitgelegd aan de hand van voorbeelden uit de wintersportpraktijk.

De Impact

Voordat we de impactfases bespreken, is het belangrijk om kort stil te staan bij de lesgeefstijlen van Mosston & Ashworth. Binnen het spectrum worden verschillende manieren van lesgeven beschreven. Aan de ene kant van het spectrum staan lesgeefstijlen waarbij de leraar vrijwel alle beslissingen neemt. Naarmate we verder in het spectrum komen, krijgen cursisten steeds meer verantwoordelijkheid en keuzevrijheid. Het belangrijkste verschil tussen de lesgeefstijlen is daarom niet wat er geleerd wordt, maar wie de beslissingen neemt tijdens het leerproces.

In dit artikel worden de stijlen A tot en met J behandeld. Stijl A (Command) is sterk leraar-gestuurd, terwijl stijl J (Learner-Initiated) vrijwel volledig door de cursist wordt aangestuurd. Tussen deze uitersten bevinden zich verschillende stijlen waarin de verantwoordelijkheid geleidelijk verschuift van de leraar naar de cursist

Om dit inzichtelijk te maken, onderscheiden Mosston & Ashworth drie fasen: de pre-impactfase, impactfase en post-impactfase. Samen beschrijven deze fasen wat er vóór, tijdens en na een leeractiviteit gebeurt.

  1. Pre-impact (voor de les of opdracht)
  2. Impact (tijdens de uitvoering)
  3. Post-impact (na de uitvoering)

Impactfases

De impactfase is de fase waarin de cursisten daadwerkelijk aan de slag gaan. Alles wat tijdens de uitvoering van de opdracht gebeurt valt onder de impactfase.

Wat gebeurt er in de impactfase?

Tijdens deze fase gaat het om de vragen zoals:

  • Hoe wordt de oefening uitgevoerd?
  • Wie neemt de beslissingen tijdens het oefenen?
  • Wie geeft feedback?
  • Mogen de cursisten zelf keuzes maken?
  • Hoeveel begeleiding geeft de leraar?

Command (A)

De leraar zegt: “volg mij, nu links en nu rechts”

Practice (B)

De leraar zegt: “Maak tien bochten tussen deze pionnen”.

De cursisten oefenen zelfstandig en de leraar gaat rond om feedback te geven.

Reciprocal (C)

Eén cursist skiet de oefening en de andere observeert met een observatieformulier die ze gekregen hebben van de leraar.

Guided Discovery (F)

De leraar vraagt: “Hoe kun je meer grip krijgen in de bocht?”

De cursisten experimenteren en proberen verschillende oplossingen

Learner-Initiated (J)

Een snowboarder wil switch leren rijden.

Tijdens de impactfase:

  • Kiest zelf de oefeningen
  • Bepaalt zelf de moeilijkheid
  • Evalueert tussendoor zijn voortgang

De leraar helpt alleen als daarom gevraagd wordt.

 

Waarom is de impactfase belangrijk?

De impactfase laat zien hoe het leren daadwerkelijk plaatsvindt.

Bij de meer leraar-gestuurde stijlen geeft de leraar veel aanwijzingen en neemt de leraar veel beslissingen. Bij meer cursist-gestuurde stijlen experminteren de cursisten meer, lossen ze zelf problemen op en neem ze meer verantwoordelijkheid op hun eigen leerproces.

Post-impactfases

De post-impactfase vindt plaats nadat de oefening op opdracht is uitgevoerd. In deze fase wordt gekeken naar het resultaat van het leerproces. De belangrijke vraag is:

“Hoe is de opdracht gegaan en wat leren we daarvan?”

Tijdens de post-impactfase worden bijvoorbeeld de volgende vragen beantwoord:

  • Is het leerdoel behaald?
  • Wat ging goed?
  • Wat kan beter?
  • Welke feedback wordt gegeven?
  • Wat is de volgende stap in het leerproces?

Command (A)

De leraar beoordeelt de uitvoering en de cursisten luisteren naar de feedback.

Reciprocal (C)

Na de oefeningen geeft de observator feedback en de uitvoerende cursist luistert naar de feedback. 

Self check (D)

De cursist vergelijkt zijn uitvoering met de vooraf gegeven criteria.

Inclusion (E)

De cursisten kijken of het gekozen niveau passend was voor hunzelf.

Learner-Initiated (J)

De cursisten evalueren hun eigen leerproces. De leraar kan eventueel advies geven als daarom gevraagd wordt.

Waarom is de post-impactfase belangrijk?

In deze fase ontstaat bewustwording. Cursisten ontdekken wat ze geleerd hebben, waar ze nog aan moeten werken en hoe ze de volgende stappen kunnen zetten.

De lesgeef stijlen

Command (A)

Bij de commandostijl neemt de leraar alle beslissingen en de cursisten volgen de instructies nauwekeurig op en voeren de oefening uit zoals deze wordt voorgedaan. Deze stijl wordt vaak gebruikt bij beginners of wanneer veiligheid een belangrijke rol speelt.

Ski/snowboardvoorbeeld:

De leraar demonstreert een ploegbocht en geeft tijdens de afdaling aanwijzingen zoals: “Bocht naar links, bocht naar rechts”. De cursisten volgen exact dezelfde lijn en hetzelfde tempo.

Practice (B)

Bij de practicestijl legt de leraar de oefening uit en krijgen de cursisten vervolgens tijd om zelfstandig te oefenen. De leraar observeert en geeft individuele feedback.

Ski/snowboardvoorbeeld:

De cursisten oefenen tien bochten tussen uitgezette pionnen. Terwijl zij oefenen skiet de leraar rond om persoonlijke tips te geven.

Reciprocal (C)

Bij de reciprocal-stijl werken cursisten samen in tweetallen. Eén cursist voert de oefening uit, terwijl de andere observeert en feedback geeft aan de hand van vooraf afgesproken criteria.

Ski-/snowboardvoorbeeld:
Eén skiër maakt een afdaling terwijl de ander let op houding, armgebruik en drukverdeling. Na afloop bespreken zij samen wat goed ging en wat verbeterd kan worden.

 Self-check(D)

Bij de self-check-stijl beoordelen cursisten hun eigen uitvoering. Hiervoor gebruiken zij criteria die vooraf door de leraar zijn opgesteld.

Ski-/snowboardvoorbeeld:
Na een serie bochten controleert een snowboarder zelf of hij voldoende druk op de kanten heeft gehouden en of zijn houding overeenkomt met de opgegeven aandachtspunten.

 Inclusion(E)

Bij de inclusion-stijl biedt de leraar verschillende niveaus van dezelfde oefening aan. De cursisten kiezen zelf welk niveau het beste bij hun vaardigheden past.

Ski-/snowboardvoorbeeld:
De leraar zet drie slalomparcoursen uit: eenvoudig, gemiddeld en uitdagend. Iedere cursist kiest zelf welk niveau hij wil proberen.

 Guided Discovery(F)

Bij guided discovery helpt de leraar cursisten door middel van vragen naar een oplossing. De cursisten ontdekken de techniek grotendeels zelf.

Ski-/snowboardvoorbeeld:
De leraar vraagt: “Wat gebeurt er als je meer druk op je buitenski zet?” Door verschillende mogelijkheden uit te proberen ontdekken de cursisten zelf hoe zij meer grip krijgen in de bocht.

Convergent Discovery(G)

Bij convergent discovery krijgen cursisten een probleem waarvoor één juiste oplossing bestaat. De leraar geeft geen directe antwoorden.

Ski-/snowboardvoorbeeld:
De leraar vraagt: “Hoe kun je zo snel mogelijk tot stilstand komen op deze helling?” De cursisten experimenteren totdat zij zelf de meest effectieve techniek ontdekken.

Learner-Designed Individual(H)

Bij deze stijl bepaalt de cursist grotendeels zelf hoe hij een leerdoel wil bereiken. De leraar ondersteunt waar nodig.

Ski-/snowboardvoorbeeld:
Een skiër wil zijn carvebochten verbeteren. Hij maakt zelf een oefenplan met verschillende oefeningen en bespreekt zijn voortgang regelmatig met de leraar.

Learner - Initiated(J)

Bij deze stijl neemt de cursist zelf het initiatief om iets te leren. De leraar heeft voornamelijk een adviserende rol.

Ski-/snowboardvoorbeeld:
Een snowboarder besluit zelfstandig om switch te leren rijden. Hij kiest zelf zijn oefeningen, bepaalt zijn leerdoelen en vraagt alleen hulp aan de leraar wanneer dat nodig is.

 

Afsluiting

De lesgeefstijlen van Mosston & Ashworth bieden ski- en snowboardleraren een waardevol kader om hun lessen bewust vorm te geven. Geen enkele stijl is beter dan een andere; de effectiviteit hangt af van het leerdoel, het niveau van de cursisten en de situatie op de piste. Door inzicht te hebben in de pre-impact-, impact- en post-impactfase kan een leraar beter bepalen hoeveel verantwoordelijkheid bij zichzelf of bij de cursisten ligt. Hierdoor ontstaat een gevarieerde en doelgerichte les die aansluit bij de behoeften van de groep.

 

Bron: Mosston, M., & Ashworth, S. (2008). Teaching Physical Education: First Online Edition. Spectrum Institute for Teaching and Learning.


Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *